• Banner
Prévinaire stonk van verre

Prévinaire stonk van verre

Begon Haarlem pas echt te stinken in de negentiende eeuw door toedoen van de katoenfabriek van Prévinaire? Verhalen en feiten uit de Haarlemse geschiedenis, onderzocht en opgeschreven door historicus en buurtbewoner Peter Hammann.

Het Garenkokerskwartier was in de 19e eeuw de vestigingsplaats van één van de drie grote katoenfabrieken die Haarlem na circa 1830 telde. De katoenfabriek van Prévinaire in onze wijk werd destijds verantwoordelijk gehouden voor de stank en verontreiniging van het grachtenwater in de stad. Eind april dit jaar schreef historicus Hein Klemann in het Haarlems Dagblad daar nog een mooi verhaal over, maar of alle feiten helemaal kloppen?

Geen riolering

Klemann wijst de katoenfabriek van Prévinaire én huishoudens aan als veroorzakers van de stank. Er moet hier echter gezegd worden dat véél meer schuld voor de stank lag bij het ontbreken van rioleringen in de stad en de stilstand van het grachtenwater. En vooral bij het overvloedig lozen van urine van de circa 550 paarden van de Cavalerie die schuin tegenover de fabriek van Prévinaire stonden.

Buitenlandse ondernemers lokken

De Nederlandsche Handels Maatschappij concludeerde in een haalbaarheidsstudie over de ontwikkeling van een eigen textielnijverheid in Nederland onder andere dat deze industrie alleen een kans van slagen had als die opgezet en geleid zou worden door fabrikanten met ervaring. En die fabrikanten moesten uit het buitenland komen. En hoe deden ze dat (ook al) in de negentiende eeuw? Door het verstrekken van subsidies en veel andere voordeeltjes voor wie zich hier wilde vestigen. Drie ondernemers waren bereid en in staat om de overstap naar Nederland te maken: 2 Belgen en 1 Engelsman. Deze ondernemers kregen daar veel voor terug, héél véél. En de fabriek die daarvan het meest en langst geprofiteerd heeft was die van de familie Prévinaire in onze eigen wijk.

Klachten van bewoners over de stank

Door de gemeente werd een Commissie voor onderzoek ingesteld naar aanleiding van twee rekesten die op 15 en 19 september 1855 bij de gemeente Haarlem waren binnengekomen van bewoners van de Nieuwe Gracht (22 ingezetenen) en de Nieuwstad (18 ingezetenen) waarin geklaagd werd over de stank van het grachtenwater. Deze bewoners meenden dat dit veroorzaakt werd door het afvalwater van de beide fabrieken.

"des zomers somtijds zoo hinderlijken stank dat die beide groote, op den Singel gelegen, fabrieken dagelijks in vrij aanzienlijken hoeveelheden in den Stads-Singel uitstorten"

De fabriekseigenaren Prévinaire en Wilson hadden zich in een schrijven van 25 november 1855 teweergesteld tegen deze rekesten. Zij gaven aan dat het afvalwater van de fabrieken wel meekrapvezels bevatte, maar dat daar geen zwavel bijzat en dat zwavel veelal de stank in de Haarlemse grachten veroorzaakte.

Onderzoek en rapportage
De Commissie kreeg tot taak omtrent de vervuiling en de stank te rapporteren. De Commissie bestond uit de heren Van Breda, Elias, Huurkamp en Van der Vinne. Dr. J.G.S. van Breda trad op als woordvoerder en van zijn hand was het onderzoeksrapport waarvan op 13 juni 1856 verslag werd gedaan aan de gemeenteraad. De conclusie van de Commissie was duidelijk:

"het water is bedorven, de lucht is besmet; alle vreemde stoffen die met water en lucht gemengd zijn, zijn nadeelig"

Uit het onderzoek was gebleken dat er twee bronnen waren die voor het bederven van het water aangewezen konden worden: de stoffen die uit de riolen in de grachten komen en de plantaardige en dierlijke stoffen uit de katoenfabrieken. En het waren vooral de fabrieken die héél véél bijdroegen aan de verontreiniging. Er werd ook gewezen op het feit dat sinds de droogmaking van de Haarlemmermeer (1852) nog maar weinig beweging in het water was en er nauwelijks afvoer of doorstroming plaatsvond.

Oplossing: verbod op lozen afvalwater

De Commissie kwam met twee mogelijke oplossingen: het water vaker vermengen met vers water en doorspoelen, of de uitstort van verontreinigt water uit de fabrieken verbieden. Want, voor de Commissie was het duidelijk, de fabrieken waren hoofdschuldig. Er was nog een plan om het vuile water via een buizenstelsel ver buiten Haarlem te lozen, maar men zag wel in dat de enorme kosten die daarmee gepaard zouden gaan niet door de fabrieken betaald konden worden. En er was geen garantie dat daarmee de stank ophield. Op 14 februari 1857 ontvingen de fabrikanten Prévinaire en Wilson van de Regering der Stad Haarlem een schrijven waarin stond dat het vanaf 1 juni 1857 verboden zou zijn "dat vloeibare stoffen uit de fabrieken alhier afloopen in stadswateren". De brief was ondertekend door burgemeester De Bruyn Kops en secretaris Tielenius Kruythoff. Vanaf dat moment was het duidelijk voor het Haarlem van toen en nu nog altijd: de stank die jarenlang bij mooi zomers weer boven de stad hing werd door Prévinaire en Wilson veroorzaakt en men vond dat de fabrieken per direct hun lozingen moesten stoppen. Prompt kondigden Prévinaire en Wilson aan hun fabrieken inderdaad te zullen sluiten.

Tweede onderzoek en rapportage

Minder bekend in de Haarlemse geschiedenis is het feit dat er na het eerste nòg een tweede onderzoek is gedaan. Een onderzoek dat zelfs vandaag de dag nog héél wat genuanceerder en met feiten onderbouwd overkomt dan het erg eenzijdige verslag van de Commissie Van Breda. Dit tweede rapport - dat voor 50 cent per stuk te koop was voor belangstellenden - werd opgesteld door J.J. van Brederode en verscheen ruim een jaar later, in april 1857. Wie opdrachtgever is geweest is niet duidelijk, maar dat het effect heeft gehad wordt hieronder wel duidelijk.

"In het belang van velen hebben wij ons naar een en ander, betreffende die zaak, geïnformeerd, en achten het niet ondienstig den uitslag onzer onderzoekingen ter kennisse van hen, die het aangaat, of die er belang in stellen, te brengen".

Riool aangesloten op de gracht en paardenurine

Haarlem kende in die periode 28000 inwoners. Veel huizen hadden weliswaar een riool, maar die kwamen allemaal uit op de grachten! De enorme hoeveelheden stoffen die daarmee in de grachten kwamen bevatten genoeg voor rotting vatbare stoffen die de stank konden veroorzaken. De ene rottende laag kwam op de bodem van de gracht op de andere te liggen en werd niet of nauwelijks doorgespoeld omdat stroming ontbrak. Heel duidelijk stelt het tweede rapport dat de Commissie een tweede belangrijke oorzaak over het hoofd had gezien. Op de hoek van de Kraaijenhorstergracht en de Nieuwe Gracht stonden in die tijd de stallen van de Cavalerie met daarin 550 paarden. De mest werd verhandeld, maar de urine van deze dieren werd rechtstreeks op de grachten geloosd. Daarin zaten bestanddelen zoals stikstof en ammoniak.

Katoenfabrieken vervuilden zonder stank

Bij nader onderzoek bleek dat de katoenfabrieken weliswaar veel loosden maar dat in de stoffen veel minder stank veroorzakende bestanddelen zaten dan de Commissie min of meer als van zelfsprekend had aangenomen. Prévinaire loosde per dag 6 miljoen kannen afvalwater, Wilson 16 miljoen. Beide in de vorm van afgewerkte verfbaden en water dat gebruikt was om katoen te wassen. Zelfs de 220 kannen bloed die per dag in het water terechtkwamen waren veel minder schadelijk dan de Commissie suggereerde. Via tal van berekeningen en scheikundige formules kwam men in het tweede onderzoeksrapport tot de conclusie dat mensen en paarden wel 53 maal zoveel ponden stikstof in de grachten brachten dan de twee katoenfabrieken. Bovendien werd er aangegeven dat het nadelig was dat er niet nog méér dan vroeger gebaggerd werd nu het grachtenwater langer bleef stilstaan als gevolg van het afsluiten van het Haarlemmermeer. Het rapport kwam tot de conclusie dat:

"De bron van het kwaad moet dus gezocht worden waar de gegevens daartoe voorhanden zijn; die zaak is eenvoudig en duidelijk; en wij meenen voldoende te hebben aangetoond, dat die eer te vinden is in de massa dierlijke uitwerpselen van menschen en paarden, dan in de uitwerpselen der fabrieken"

Oplossing: sluisdeur en afvalwater afvoeren

Om een lang verhaal kort te maken: de regering van de stad haalde uiteindelijk bakzeil. De fabrieken werd niet verboden om afvalwater te lozen en hoefden niet als gevolg daarvan hun deuren te sluiten. Er werd een andere, simpele oplossing gevonden: de Garenkokersvaart werd met een sluisdeur afgesloten van de Kinderhuissingel en de Nieuwe Gracht, zodat het afvalwater voortaan via de Delft richting Noorder Buiten Spaarne zou afvloeien. Maar verontreiniging zou Prévinaire nog langer en vaker achtervolgen. Tot in onze eigen tijd aan toe.

Peter Hammann schreef een boek over de geschiedenis van het Garenkokerskwartier met daarin onder andere meer informatie en foto's over de familie Prévinaire en hun katoenfabriek. Verkrijgbaar in de boekwinkels:

Garenkokerskwartier | een kleine wijkgeschiedenis van de Zijlweg en omgeving

(2011, Haarlemse Miniaturen deel 80, Uitgeverij Spaar en Hout)