• Banner
banner word lid
Mijn eerste fiets

Mijn eerste fiets

'Recycling' avant la lettre

Ik kreeg mijn eerste fiets in het voorjaar van 1959. De naoorlogse wederopbouw was op zijn hoogtepunt en deze zou pas vanaf de jaren '60 resulteren in de zogenoemde welvaartsstaat. Tot ver in de jaren '50 bleef de Nederlandse bevolking zuinig en ging ze voorzichtig om met goederen, want steeds heerste de vrees voor een nieuw conflict op wereldschaal. Niet vreemd dus dat een jongensfiets werd doorgegeven als kleren waar een kind was uitgegroeid.
Kort voor de Tweede Wereldoorlog was een fiets een heel bezit. Zeker voor een joch van een jaar of 12. Een nieuwe fiets kostte toen algauw 40 gulden (= nu ca. € 400) en dan had je een eenvoudige uitvoering, met niet meer dan een terugtraprem. Mijn oudste broer (van 1931) was in 1938 toe aan zijn eerste rijwiel – zo heette dat toen – en het aankoopbonnetje laat zien dat hij die in april kreeg. Onze vader en moeder gingen de Fongers kopen bij Van Kooten – een grote fietsenwinkel op het punt van samenkomst van de Gierstraat en de Grote Houtstraat (nu: lunchroom De Nieuwe Baron). Volgens het bonnetje kostte het jongensrijwiel 38 gulden – en dat was nog zonder verlichting. Lampen en dynamo kwamen er later bij. De kleine, zwarte Fongers kwam enkele jaren later – onbedoeld – goed van pas. Want in de hongerwinter van 1944/45 trapte mijn broer, toen ongeveer 13½ jaar oud, samen met mijn moeder naar familie in Apeldoorn. De kou trotserend en soms overvallen door sneeuwbuien. Tweemaal maakten ze samen de hongertocht, hopend daar op de Veluwe wat voedsel te bemachtigen. Met succes, want het complete gezin, inclusief twee oorlogsbaby's – ik ben zelf een nakomertje van 1951 – doorstond de laatste oorlogsmaanden in de Bilderdijkstraat. Ook de twee hongertochtfietsen zijn die periode ongeschonden doorgekomen – volgens overlevering lagen ze overdag in bed om ontdekking door de Duitse bezetter en een eventuele inbeslagname te voorkomen! Na de oorlog is de kleine Fongers doorgeschoven naar andere, jongere broers – er was meestal wel genoeg leeftijdsverschil om ieder van hen er een tijdje op te laten karren. Alleen bij de twee oorlogskinderen (uit 1941 en 1942) liep het spaak: rond 1950 waren beiden immers rijp voor een eigen tweewieler. Opnieuw kwamen toen familieleden het gezin te hulp: de fiets van een eruit gegroeide neef uit Den Haag kreeg een volgend leven in het Haarlemse en hij werd hier bereden door de broer van 1941. Het merk is niet meer bekend, maar naar verluidt ging het om een lelijk ding met een disproportioneel groot stuur, dat vermoedelijk dus ook al in Den Haag als tweedehandsje in gebruik was. De jongste was daarom maar wat blij met de good old Fongers uit 1938.

Ik herinner me vaag een fietstochtje met hen beiden – ik in een zitje, achterop bij mijn moeder – (naar Amsterdam?) met op de terugweg als stopplaats De Zoete Inval (toen nog met speeltuin) aan de Amsterdamsevaartweg - er zijn foto's van. (De Zoete Inval lag toen nog ter plaatse van het huidige verkeersknooppunt Rottepolderplein). Maar ook voor hen beiden kwam een einde aan het jongensfietsentijdperk en dus verdween de Fongers naar een duistere plaats achter in onze schuur. En daarmee zonk hij natuurlijk al snel ook weg uit mijn belevingswereld. Tot ik op een dag in 1959 moest meekomen naar de fietsenmakerij en -winkel van J. Viets & Co. (!), Zijlweg 39/41 (zie de foto). Deze zaak was gevestigd in een niet meer bestaande, flink vooruitstekende 'puist' in de noordelijke gevelwand, tussen Prévinairestraat en Pieter Kiesstraat. Daar stond de toen geheel gereviseerde, inmiddels donkergroen gelakte, uit 1938 daterende Fongers voor me klaar – ik was de koning te rijk, al was het maar omdat de iets oudere 'Kees van de overkant' al eerder een fiets had gekregen. Mijn vader leerde me fietsen en het heeft echt even geduurd eer ik over een smal bruggetje of een stevige, brede plank durfde te rijden. Hoe het zij, het ook in ander verband wel gebezigde gezegde 'op een oude fiets moet je het leren' (Remco Campert, 1961?), was iets eerder al letterlijk op mij van toepassing. En misschien herinnert de lezer het zich nog: in een eerder stukje ('Vroeger, toen was het koud!') schreef ik dat broer Ben (1941) en ik in 1963, lopend of op de fiets, met brood voor de vogels door de sneeuw naar de duinen gingen. Dat was dus 25 jaar later, met déze uit 1938 daterende Fongers, die als pakezel was volgehangen met broodresten.

Mijn volgende fiets was een overbodig geworden groene, Engelse Rudge met handremmen en versnelling. Deze was eerder van de broer van 1942 geweest, die op een gloednieuwe, groene Puch-brommer was overgestapt. Wat er van de kleine Fongers is geworden is, herinner ik me niet, maar er is vast nog wel een nieuwe berijder blij mee gemaakt. Van 'recyclen' hadden onze ouders van oudsher wel kaas gegeten, dus mijn eerste fiets heeft de prille welvaartsstaat vast nog mogen meemaken.